’t Kadaster met de billen bloot
Ja, ja, mei heeft nog maar amper zijn lentekriebels over ’t Kadaster uitgestrooid of alle deuren vliegen al open. Er moest duidelijk iets gebeuren met die energie.
En wie kan er beter krabben als ’t jeukt dan de bende van de Alfons Pieterslaan 39!
Wat gelukkig wel snel duidelijk werd, was dat alleen maar krabben nog meer irritaties geeft.
Lang moest er echter niet nagedacht worden om dat irritant gekriebel een halt toe te roepen.
Die van de ‘werkgroep buitenruimte’ hebben immers de bergen compost en houtsnippers verwerkt. Blaren en pijnlijke ruggen zijn intussen vergeten.
Bomen beginnen vrolijk te botten, ideale wereld of niet. De planten en bloemen heffen fier hun kleurige kopjes op als dank voor de goede zorgen.
Kortom, de binnenplaats is klaar om Oostendenaren en andere passanten te verwennen met een rustmoment of leuke ontmoeting.
Her en der bijeen gestapelde stenen banken, uitnodigende tafeltjes en stoelen, stralen een knus welkom uit waarbij menig Parijs terras zich van jaloezie zal verslikken in een Franse colère.
En dit heuglijk feit moest gevierd worden mensen. De officiële opening van ons paradijs midden in Oostende en het opengooien van alle deuren, is op 2 mei wereldnieuws geworden … nou ja … in Oostende en omstreken toch al zeker.
Het was zelfs zo feestelijk dat onze burgervader en zijn bevallige schepen hun zaterdagmorgen opofferden om het traditionele openingslint door te knippen.
Het originele ‘openingslint, kunstig en liefdevol ineen gevlochten van klimop, symboliseerde echter op beeldige wijze de kracht en het taaie doorzettingsvermogen van onze vrijwillige tuinaanleggers. Dan kun je zo’n prachttuin toch alleen maar openknippen met een haagschaar!
Dit kleinood bungelde wat onwennig in de handen van onze stadsvader. Maar zoals een gedreven schepen als trouwe sidekick betaamt, plooide zij haar helpende handen mee rond de afwachtende heggenschaar en samen waren ze stellig van plan onze buurttuin feestelijk te openen.
Tevergeefs echter hapten de lange tanden in het vegan feestlint.
Met een veronschuldigend lachje, zochten de lichtjes panikerende ogen van onze stadsbestuurders dan maar hulp in het publiek.
En ja hoor, daar was hij weer, ons tuin-genie, Laurent.
Met een brede smile verloste hij het duo stadsleiders uit hun lijden.
Onze burgmeester kon beginnen aan zijn passend openingswoord en zijn tevredenheid en bewondering voor dit prachtige project in de figuurlijke verf zetten.
Intussen druppelden meer en meer zonnekloppers binnen die met plezier elke zitgelegenheid in beslag namen, terwijl andere geïnteresseerden hun nieuwsgierigheid de vrije loop lieten en op zoek gingen naar wie of wat er tegenwoordig in die immense, gewezen politiesite gaande is.
Woorden als ‘schitterend’, ‘amai dat ziet er nog goed uit daarbinnen’, ‘allez jong, daar maken echt wel veel verschillende groepen gebruik van dat gebouw’, ‘tot zelfs de oude politiecellen hebben nog nut als expositieruimte’ … en dat alles dan vooral in het west vlaams. Helaas is schrijver dezes een aangespoelde en heeft heel andere taal genen geërfd.
Al deze kunstenaars, makers, verzorgers, doeners, ondernemers, maakten de bezoeker gedreven en met plezier duidelijk wat hun streven is.
Om nu elke ruimte met gebruikers en hun aanbod te gaan beschrijven, zou te ver voeren. Duidelijk is wel, dat de stadsnomaden dit majestueuze, leegstaande gebouw, omgetoverd hebben tot een veelbelovende broeihaard van menselijkheid, saamhorigheid en creativiteit die de stad Oostende sowieso opkrikt naar een hoger level.
Uiteindelijk eindigde mijn dag naast een stel genietende vrijwillige tuiniers, op een stoeltje in de zon met een heerljke, Ichtegemse keyte blond.
En dan kijk je voldaan rond tot je plots vaststelt dat het eigenlijk een zootje is geworden rondom ons. Stoelen en zitbanken kriskras verspreid over de buurttuin, tafeltjes vol met lege flesjes en glazen. Het leek verdacht veel op de day after van een of ander festivalterrein.
“Leeggoed terug naar de bar brengen, a.u.b.” vraagt de lieftallige dame die de knusse bar van ’t Kadaster uitbaat.
Kijk je echter buiten even rond dan is daar duideljk het tegendeel te zien.
Zon weg, bezoekers weg. Niemand vraagt zich af wie tegen de volgende dag weer een nette, gezellige pleisterplaats van de buurttuin maakt.
Ik haal dit vooral aan omdat het personeel van de espressobar steeds op een zeer vriendelijke manier de bediening verzorgt. We moeten dus een manier vinden om de bezoekers duidelijk te maken dat het toegestaan is om de consumptie mee naar buiten te nemen, mits het leeggoed netjes terug in de bar bezorgd wordt.
Dat mensen graag in de zon zitten is ook zeer begrijpelijk, maar de rondliggende gebouwen brengen nu eenmaal schaduw mee. Zijn ook niet verplaatsbaar.
Stoelen en banken wel. Ik zou zeggen, zet ze dan ook gewoon terug op hun plaats nadat u terug huiswaarts keert.
Als eventuele lezers van deze jammerende noodkreet nu eens proberen mee te denken om gebruikers van dit ‘aards paradijs’ bewust te maken dat deze schittrende oase niet uit zichzelf zo netjes blijft. Zeker nu de zomer eraan komt en het bezoekersaantal zo goed als zeker gaat toenemen.
Het klinkt behoorlijk bemoeizuchtig, maar eventueel kunnen we borden of affiches hangen met de vraag om de tuin achter te laten zoals je hem aangetroffen hebt.
Liefst op een ludieke manier. Blijft meestal beter hangen.
Voor de bar zou er eventueel buiten een rolwagen gezet kunnen worden waar het leeggoed op geplaatst kan worden. De bediening loopt dan iets minder kilometers.
Is maar een voorstel en een iets minder positief klinkend eindwoord. Het zij zo.
Verder was dit een aangename, zonnige, feestelijke opening en kennismaking met gebouw en werking.
Kortom, schitterende ‘blote billenshow’ van ’t Kadaster.
Warme groet,
Herman